Welkom, jonge breinkrakers! Ben jij klaar om je hersenen aan het werk te zetten? In groep 5 leer je zó veel nieuwe dingen op het gebied van rekenen: de tafels, grotere getallen, en ingewikkelde sommen. Om al die nieuwe kennis goed vast te houden, is er niets leuker en effectiever dan jezelf uitdagen met rekenraadsels groep 5.
Deze puzzels zijn speciaal ontworpen om je logische denkvermogen te testen en tegelijkertijd je hoofdrekenen te verbeteren. Ze zijn meer dan alleen sommen; het zijn kleine verhaaltjes die je dwingen 'out of the box' te denken.
Niveau 1 (Makkelijk): Starten met Hoofdrekenen: De Basis op Orde
Deze raadsels zijn een perfecte warming-up om je basale rekenvaardigheden en logica op scherp te stellen.
1- Je hebt 40 knikkers en je geeft er 15 aan je zusje. Hoeveel knikkers heb je over?
Tip
Denk eerst aan een eenvoudige aftreksom: begin bij 40 en haal er 10 en daarna 5 vanaf.
Antwoord
40−15=25 knikkers.
2- Een bakker bakt 5 taarten per uur. Hoeveel taarten bakt hij in 3 uur?
Tip
Herhaal het aantal taarten per uur drie keer of gebruik een keersom.
3- Welk getal ligt precies midden tussen 250 en 350?
Tip
Zoek eerst het verschil tussen de twee getallen en deel dat door twee.
Antwoord
Het getal 300. (350−250=100. De helft is 50. 250+50=300).
4- De tafel van 7: als je 7×8 uitrekent, wat is dan de uitkomst?
Tip
Denk aan de tafel van 7 of herhaal 7 acht keer.
5- Een bus vertrekt om half negen (’s ochtends) en de reis duurt 45 minuten. Hoe laat komt de bus aan?
Tip
Tel eerst 30 minuten op en daarna nog eens 15 minuten.
Antwoord
08:30+45 minuten =09:15 uur (kwart over negen).
6- Ik heb een briefje van 10 euro en koop snoep voor € 3,75. Hoeveel wisselgeld krijg ik terug?
Tip
Reken eerst tot 4 euro en daarna tot 10 euro.
Antwoord
€ 6,25.
(10,00−3,75=6,25).
7- Een vierkant heeft zijden van 6 centimeter. Wat is de totale omtrek van het vierkant?
Tip
Een vierkant heeft vier gelijke zijden: tel 6 vier keer.
Antwoord
6×4=24 centimeter.
8- Ik ben een half uur eerder dan 10:15 uur. Hoe laat ben ik?
Tip
Ga eerst 15 minuten terug naar 10:00 en daarna nog eens 15 minuten.
Antwoord
09:45 uur (kwart voor tien).
Niveau 2 (Gemiddeld): Slimme Rekenraadsels Groep 5 voor Echte Denkers
Nu wordt het een beetje pittiger! Gebruik de kennis van de tafels, delingen, en geldbedragen om deze uitdagende rekenraadsels groep 5 op te lossen. Je moet echt je hoofdrekenen goed inzetten!
9- Een schilderij is 80 cm lang en 50 cm breed. Hoeveel centimeter is de totale omtrek?
Tip
De omtrek is de som van alle zijden: twee keer lengte + twee keer breedte.
Antwoord
80+50+80+50=260 cm.
10- Bij een sportdag moeten 78 kinderen in groepjes van 6 verdeeld worden. Hoeveel groepjes kunnen er gemaakt worden?
Tip
Dit is een deelsom: hoeveel keer past 6 in 78?
Antwoord
78÷6=13 groepjes.
11- Er zitten 12 appels in een zak. Als ik 41 deel van de appels opeet, hoeveel appels houd ik dan over?
Tip
Bereken eerst hoeveel appels 1/4 is door 12 te delen door 4.
Antwoord
41 van 12 is 3 appels.
Ik houd 12−3=9 appels over.
12- Ik ben een getal. Als je me vermenigvuldigt met 9 en er daarna 1 bij optelt, krijg je 82. Welk getal ben ik?
Tip
Trek eerst 1 af van 82 en deel dat resultaat door 9.
Antwoord
Het getal 9.
(9×9=81, en 81+1=82).
13- Karel koopt 3 boeken voor € 6,50 per stuk. Hij betaalt met € 20,00. Hoeveel krijgt hij terug?
Tip
Vermenigvuldig eerst de prijs per boek met het aantal boeken.
Antwoord
De boeken kosten 3×€6,50=€19,50.
Hij krijgt €20,00−€19,50=€0,50 terug.
Niveau 3 (Uitdagend): Vanaf Raadsel 14: Breinbrekers Groep 5
Dit zijn de echte breinbrekers groep 5! Je zult alle opgedane kennis moeten gebruiken, inclusief logica en soms meerdere stappen, om de oplossing te vinden. Dit is de perfecte manier om je rekenen oefenen naar een hoger niveau te tillen.
14- Een slak klimt overdag 3 meter omhoog in een boom, maar glijdt ’s nachts 2 meter naar beneden. De boom is 10 meter hoog. Hoeveel dagen duurt het voordat de slak de top bereikt?
Tip
Kijk per dag wat de netto winst is, maar let op wat er gebeurt op de laatste dag.
Antwoord
8 dagen. Na 7 dagen is de slak 7 meter hoog.
Op de 8e dag klimt hij nog 3 meter en bereikt de top.
15- Als A+B=10, B+C=12 en C+A=14, wat is dan de waarde van A×B×C?
Tip
Probeer de drie sommen op te tellen en daarna te halveren om A+B+C te vinden.
Antwoord
A=6,B=4,C=8. Dus 6×4×8=192.
(Tip: Tel alle vergelijkingen op: 2A+2B+2C=36, dus A+B+C=18. Gebruik de eerste twee sommen om A, B en C te vinden).
16- De bioscoop heeft 200 stoelen. 43 van de stoelen is bezet. Hoeveel stoelen zijn er nog vrij?
Tip
3/4 bezet betekent dat 1/4 vrij is. Deel 200 door 4.
Antwoord
41 is vrij. 41 van 200 is 200÷4=50 stoelen.
17- In de straat staan huizen met nummers 1 tot en met 30. Hoe vaak wordt het cijfer 2 gebruikt in deze huisnummers?
Tip
Denk aan alle tientallen en eenheden waar de 2 in voorkomt.
Antwoord
13 keer.
(in 2, 12, 20, 21, 22 (twee keer!), 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29).
18- Drie vrienden, Lisa, Bas en Max, verzamelen samen 40 postzegels. Lisa heeft 5 postzegels meer dan Bas. Max heeft evenveel postzegels als Lisa. Hoeveel postzegels heeft Bas?
Tip
Probeer de extra postzegels van Lisa en Max eerst van het totaal af te halen.
Antwoord
Bas heeft 10 postzegels.
Lisa en Max hebben samen 5+5=10 extra postzegels ten opzichte van Bas.
Haal de extra postzegels van het totaal af: 40−10=30.
Dit resterende aantal (30) wordt eerlijk verdeeld over de drie vrienden: 30÷3=10.
Bas heeft 10. Lisa heeft 10+5=15. Max heeft 15.
Controle: 10+15+15=40. (Correct!)
19- Een doos met 10 appels weegt 1 kg. De lege doos weegt 200 gram. Hoeveel weegt 1 appel?
Tip
Haal eerst het gewicht van de lege doos van het totaal af.
Antwoord
1 kg =1000 gram.
De appels wegen samen 1000−200=800 gram.
Eén appel weegt 800÷10=80 gram.
20- Janneke is 8 jaar oud en haar vader is 3 keer zo oud. Over hoeveel jaar is de vader 2 keer zo oud als Janneke?
Tip
Denk vooruit: tel voor beiden evenveel jaren bij hun leeftijden op en kijk wanneer de verhouding klopt.
Antwoord
Vader is nu 3×8=24 jaar.
Over 8 jaar is Janneke 16 en haar vader 32.
32 is 2×16. Dus over 8 jaar.
21- Een treinreis duurt 2 uur en 15 minuten. Je komt om 16:50 uur aan. Hoe laat vertrok de trein?
Tip
Trek eerst twee uur af en daarna het kwartier.
Antwoord
16:50 uur −2 uur =14:50 uur.
14:50 uur −15 minuten =14:35 uur.
22- Welke twee getallen van 1 cijfer hebben als product 42?
Tip
Probeer de tafels van 6 en 7 eens te bekijken.
Antwoord
De getallen 6 en 7. (6×7=42).
23- De som van twee getallen is 15. Het verschil tussen die twee getallen is 3. Welke twee getallen zijn het?
Tip
Gebruik som + verschil: het grootste getal is (15+3)/2.
Antwoord
De getallen 6 en 9. (6+9=15 en 9−6=3).
24- Je hebt 100 liter water en je wilt het eerlijk verdelen over 8 emmers. Hoeveel liter zit er in elke emmer?
Tip
Probeer 100 te delen door 8. Je krijgt een kommagetal.
Antwoord
100÷8=12,5 liter.
25- Ik ben een kwart voor zeven ’s avonds in digitale tijd. Welk tijdstip ben ik?
Tip
Kwart voor betekent dat je 15 minuten eerder zit dan het hele uur.
26- Een boer heeft 20 kippen en 5 konijnen. Hoeveel poten lopen er in totaal rond op zijn erf?
Tip
Denk eraan dat kippen 2 poten hebben en konijnen 4.
Antwoord
Kippen: 20×2=40 poten.
Konijnen: 5×4=20 poten.
Totaal: 40+20=60 poten.
Duik in meer raadsels en uitdagingen
Geef een reactie