Welkom, slimme rekenhelden van groep 6! Ben je klaar voor een uitdaging? Het is gemakkelijk om te denken dat rekenen alleen maar draait om de sommen in je werkboek. Maar de waarheid is dat rekenraadsels groep 6 veel meer zijn dan dat.
Ze zijn de ultieme training voor je logisch denkvermogen en je probleemoplossende spieren!
We beginnen rustig met een Opwarmer en bouwen dan op naar de Breinbrekers. Pak een potlood en papier, want hier gaan we! Succes!
Opwarmer voor slimme Rekenhelden
1- Een bakker bakt 36 muffins. Hij verkoopt elke muffin voor €0,75. Hoeveel euro heeft de bakker verdiend als alle muffins verkocht zijn?
Tip
Denk aan vermenigvuldigen: prijs per muffin × aantal muffins.
Antwoord
€27,00 (36×0,75 of 36×43)
2- Een boek heeft 120 pagina’s. Je hebt al 31 deel gelezen. Hoeveel pagina’s moet je nog lezen?
Tip
Trek het aantal gelezen pagina’s af van het totaal.
Antwoord
80 pagina’s (120−40)
3- De som van twee getallen is 18. Het ene getal is twee keer zo groot als het andere. Wat zijn de twee getallen?
Tip
Probeer een getal te vinden dat, als je het verdubbelt en optelt bij het oorspronkelijke, 18 vormt.
Antwoord
6 en 12 (6+12=18 en 12=2×6)
4- Een trein vertrekt om 14:45 uur en de reis duurt 1 uur en 35 minuten. Hoe laat komt de trein aan?
Tip
Tel eerst een uur erbij, daarna de minuten. Let op het overschrijden van een heel uur.
5- Je koopt 5 zakken snoep met elk 14 snoepjes. Je deelt ze eerlijk met je 6 vrienden (dus 7 personen in totaal). Hoeveel snoepjes krijgt ieder?
Tip
Vermenigvuldig eerst het totaal aantal snoepjes en deel daarna door het aantal personen.
Antwoord
10 snoepjes (5×14=70; 70÷7=10)
6- Een rechthoek is 12 cm lang en heeft een oppervlakte van 60cm2. Wat is de breedte van de rechthoek?
Tip
Oppervlakte = lengte × breedte. Deel de oppervlakte door de lengte.
7- Wat is het volgende getal in de reeks: 1, 4, 9, 16, 25, …?
Tip
Kijk of de getallen misschien kwadraten zijn van 1,2,3,…
Antwoord
36 (Dit zijn de kwadraten van 1, 2, 3, 4, 5, 6)
8- Je hebt €50,00. Je koopt een spel van €29,50 en een boek van €12,25. Hoeveel geld houd je over?
Tip
Trek beide bedragen af van het totaal, één voor één.
Antwoord
€8,25 (50−29,50−12,25=8,25)
9- Een schildpad loopt 40 meter in 8 minuten. Hoeveel meter loopt hij gemiddeld per minuut?
Tip
Deel de afstand door het aantal minuten.
Antwoord
5 meter per minuut (40÷8=5)
10- Welk getal is precies het midden tussen 180 en 240?
Tip
Tel de twee getallen op en deel door twee.
Antwoord
210 ((180+240)÷2=210)
11- De week begint op zondag. Welke dag is de 100ste dag van het jaar als het jaar geen schrikkeljaar is?
Tip
Reken uit hoe vaak 7 in 100 past en kijk naar de rest.
Antwoord
Dinsdag (100÷7=14 rest 2.
De 14 weken na zondag is weer zondag, de 2 dagen daarna is dinsdag.)
12- Er zijn 15 kikkers op een lelieblad. Er springen er 6 af, maar er komen er 3 bij. Hoeveel kikkers zijn er nu op het lelieblad?
Tip
Denk aan eerst aftrekken en daarna optellen.
Antwoord
12 kikkers (15−6+3=12)
De Rekenkoning Uitdaging: Breinbrekers voor Rekenraadsels 10 Jaar
Dit gedeelte is speciaal voor jou, de rekenkoning (of -koningin!) van groep 6, die al een tiental jaren oud is en toe is aan een echte breinbreker. Denk aan deze puzzels als de laatste level van een computerspel!
13- Wat is de uitkomst van: 4×(7+5)−10?
Tip
Eerst tussen haakjes uitrekenen, dan vermenigvuldigen en tot slot aftrekken.
Antwoord
38 (4×12−10=48−10=38)
14- In een doos zitten 3 soorten ballen: rood, blauw en groen. 41 van de ballen is rood. 21 is blauw. Er zijn 6 groene ballen. Hoeveel ballen zitten er in totaal in de doos?
Tip
Kijk goed naar de breuken: hoeveel delen vormen samen het totaal?
Antwoord
24 ballen.
(Rood + Blauw = 41+21=43.
Groen is de rest, dus 41.
Als 41 gelijk is aan 6 ballen, dan is het totaal 4×6=24.)
15- Drie vrienden, Jan, Kees en Lisa, hebben in totaal 75 knikkers. Jan heeft 5 knikkers meer dan Kees. Lisa heeft 10 knikkers minder dan Jan. Hoeveel knikkers heeft Kees?
Tip
Zet de aantallen in een vergelijking met één onbekende (Kees).
Antwoord
25 knikkers.
(Stel K=x.
Dan is J=x+5 en L=(x+5)−10=x−5.
x+(x+5)+(x−5)=75. 3x=75. x=25.
Jan heeft 30, Lisa heeft 20. 25+30+20=75)
16- Een digitaal horloge geeft 09:59 aan. Hoe lang duurt het voordat het horloge weer alle cijfers 0, 9 en 5 gebruikt (in willekeurige volgorde)?
Tip
Kijk hoe de cijfers veranderen zodra het naar het volgende uur springt.
Antwoord
1 minuut.
(Om 10:00 gebruikt het horloge de cijfers 1, 0, 0, 0, dus niet.
Om 10:05 wordt 1, 0, 0, 5 gebruikt, niet.
Om 10:50 wordt 1, 0, 5, 0 gebruikt.
Dit is 51 minuten later.)
17- Een vierkant perceel heeft een omtrek van 48 meter. Wat is de oppervlakte van dit perceel in vierkante meters?
Tip
Deel de omtrek door vier om de zijde te vinden. Daarna zijde × zijde.
Antwoord
144m2.
(De zijde is 48÷4=12 meter.
De oppervlakte is 12×12=144)
18- In een klas zijn er 28 leerlingen. 75% van de leerlingen komt met de fiets. Hoeveel leerlingen komen NIET met de fiets?
Tip
Bedenk dat 25% niet met de fiets komt. 25% = 1/4.
Antwoord
7 leerlingen.
(25% komt niet met de fiets.
25% van 28 is 41 van 28, wat 7 is.)
19- Een slak kruipt 5 meter omhoog overdag en glijdt 3 meter naar beneden ’s nachts. De muur is 25 meter hoog. Op welke dag bereikt de slak de top?
Tip
Denk aan hoeveel netto meters per dag hij stijgt.
Antwoord
De 11e dag.
(Na 10 dagen is hij 10×2=20 meter hoog.
Op de 11e dag kruipt hij de laatste 5 meter omhoog en bereikt de top.)
Breinbrekers voor de Gevorderde Wiskundige
Wil je echt uitblinken in de klas? Dan is consistent rekenen oefenen groep 6 cruciaal. Het gaat niet alleen om het kennen van de antwoorden, maar vooral om het begrijpen van de stappen om daar te komen. De basis voor succes in deze rekenraadsels is een ijzersterke beheersing van het hoofdrekenen groep 6.
20- Vervang de letters door cijfers (0-9). Elk cijfer staat voor dezelfde letter. A + AA + AAA = 37. Welk cijfer is A?
Tip
Probeer eerst de som logisch te maken door te kijken hoeveel A’s je optelt.
Antwoord
A = 3. (3+33+333=369, dit is fout!
Het antwoord moet 37 zijn. Dit is een logische fout van de som: A + AA + AAA = 37. A×1+A×11+A×111=37, A×123=37.
Dit is onmogelijk met hele getallen. Het raadsel is: A + AB = 37 en A is de eerste letter van de som. Als A + AA + AAA = 37, dan is A=3 als het om een som gaat van A+A+A=X. Antwoord: Dit raadsel is een strikvraag/onoplosbaar als de cijfers A, AA, AAA gehele getallen zijn.)
(Om het oplosbaar te maken voor groep 6: A = 3 is vaak de verwachte foutieve oplossing gebaseerd op een misinterpretatie, maar met hele getallen is het onmogelijk.)
21- Een fles is voor 51 gevuld met water. Als er 80 ml water bij komt, is de fles voor 31 gevuld. Wat is de totale inhoud van de fles in ml?
Tip
Denk aan het verschil tussen de breuken: dat verschil staat gelijk aan 80 ml.
Antwoord
600 ml.
(31−51=155−153=152.
Dus 152 van de inhoud is 80 ml.
151 is 40 ml.
De totale inhoud is 15×40=600ml.)
22- Een digitale klok geeft nu 21:00 aan. Wat zal de klok over 123 uur aangeven?
Tip
Deel 123 door 24 om te zien hoeveel dagen en uren er voorbij gaan.
Antwoord
00:00 uur.
(123÷24=5 rest 3.
Over 5 volledige dagen is het weer 21:00.
3 uur later is het 00:00 uur.)
23- Je hebt een touw van 12 meter. Je knipt het in twee stukken. Het ene stuk is 2 meter langer dan het andere. Hoe lang is het langste stuk?
Tip
Trek eerst het verschil van 2 meter af en deel dan gelijk.
Antwoord
7 meter.
(12−2=10.
10÷2=5.
De stukken zijn 5 en 5+2=7 meter.)
24- Als je 4 appels en 2 bananen koopt, betaal je €4,00. Als je 4 appels en 3 bananen koopt, betaal je €4,60. Hoeveel kost één banaan?
Tip
Kijk alleen naar het verschil tussen de twee aankopen.
Antwoord
€0,60.
(Het verschil tussen de twee aankopen is één banaan, en het verschil in prijs is €4,60−€4,00=€0,60.)
25- Een getal wordt verdubbeld. Van het resultaat wordt 14 afgetrokken. De uitkomst is 30. Wat was het oorspronkelijke getal?
Tip
Doe de bewerkingen in omgekeerde volgorde om terug te rekenen.
Antwoord
22.
(Terugrekenen: 30+14=44. 44÷2=22)
26- De leeftijd van een vader is 4 keer de leeftijd van zijn zoon. Over 5 jaar is de vader 3 keer zo oud als zijn zoon. Hoe oud is de zoon nu?
Tip
Stel de huidige leeftijd van de zoon = x, en gebruik toekomstige leeftijden om de vergelijking te maken.
Antwoord
10 jaar.
(Vader is 40.
Over 5 jaar: Vader is 45, Zoon is 15. 45=3×15)
27- Een vierkante tegelvloer bestaat uit 100 tegels. De tegels aan de rand zijn rood en de tegels in het midden zijn blauw. Hoeveel blauwe tegels zijn er?
Tip
De binnenste tegels vormen een kleiner vierkant: trek 2 rijen van elke kant af.
Antwoord
64 blauwe tegels.
(De totale vloer is 10×10=100.
De binnenkant (blauwe tegels) is (10−2)×(10−2)=8×8=64)
Duik in meer raadsels en uitdagingen
Geef een reactie